Berichten

Omdat het gewoon lekker is

Ik denk dat er weinig is wat zo op kan luchten als huilen. Janken. De oogbollen uit je koppen brullen. Snikken, sniffen en flink snotteren. Het gevoel wat door middel van die waterlanders je systeem verlaat en wat dan nooit meer terugkomt. Weg ermee. Snuiten in een zakdoek en weggooien. Het lucht op.

Ik ben zelf geen huiler. Ik huil zelden. Er zijn natuurlijk momenten in de maand waarin ik emotioneler ben dan normaal en dan kan ik al janken als ik mijn zin niet krijg, maar die tel ik voor het gemak niet mee. Janken, omdat ik verdrietig ben. Ik lijk het niet snel te kunnen. Ik heb er niet zoveel moeite mee om niet te huilen.

Toen het uit ging met mijn ex heb ik geen traan gelaten. Toen hij een jaar later een nieuwe vriendin had, heb ik geen traan gelaten. Toen ik mijn teen stootte tegen de deurpost, heb ik geen traan gelaten – ik heb gegild, maar dat is geen huilen. Toen mijn kinderen werden geboren, heb ik geen traan gelaten. Bij The Notebook heb ik de tranen uit mijn kop gejankt, bij Marley & Me heb ik zo hard gehuild, ik dacht dat er iemand dood was gegaan. Oh wacht, dat gebeurde ook. Bij films ben ik een zachtgekookt eitje, dan huil ik om alles. Maar in het echte leven? Niet echt. Al zou ik het soms gewoon graag willen en omdat het gewoon lekker is.

Gisteren zei ik nog dat ik wel eens even heel hard wilde huilen. Gewoon, omdat ik pijn in mijn hart heb, dus dan wil ik huilen. Het zit in mijn systeem en het moet eruit. Maar nee, het kwam niet hoor. Niks aan de hand. Ik was uiterst kalm. Het gevoel zat me wel dwars, maar met praten kwam ik er wel. Praten was ook goed. Daarmee gaat het ook uit mijn systeem. Maar waarom wil ik maar niet huilen? Waarom lukt het niet. Het lijkt alsof mijn traanbuizen op slot zijn gesprongen.

Tot ik vandaag op de bank neerplofte. Doodop van de hele week school, kindertjes, gevoelens die rond worden gegooid als een pingpong bal en op een onbegrijpelijke manier behandeld worden, maakte me vandaag kapot. Ik strekte mijn benen en viel achterover op mijn bank. Lekker even liggen. En ineens gebeurde het. Bijna uit het niets. Tranen met tuiten. Janken. Snikken, sniffen en snotteren. Alsof ik mijn zin niet kreeg – die ik ook werkelijk niet kreeg. Opgelucht? Ja. Wil ik nog een keer janken? Graag. Gaat het me nog lukken? Geen idee.

Maar er is niets lekkerder dan even flink in je eentje brullen als een baby. Weg met al die opgepotte gevoelens en gewoon accepteren dat sommige dingen nou eenmaal niet echt voor mij zijn weggelegd. En dat is gewoon verdrietig en zielig, dat een traantje, of twee, best op zijn plaats is.

 

Attentie, attentie: belangrijke mededeling

Misschien dat het je ontgaan is, misschien weet je het ook wel, misschien wil je het het liefst vergeten. Maar daar is het nu te laat voor. Het zit namelijk zo. De wereld vergaat. Aanstaande vrijdag 21 december 2012. Zeggen ze.

Er resten ons dus nog twee dagen. En wat doe je dan, he? Wachten in bed met de deken over je hoofd? Party hard en go out with a blast? Nog één keer naar je favoriete film kijken, geheimen verklappen die je je kist niet mee in wilt nemen? Vind je het hele gedoe maar dikke onzin? Het kan allemaal. Wij zijn heel benieuwd naar wat jullie vinden/denken/doen. Dus: reageren maar!
In ruil daarvoor doen wij dan aan jullie onze bucket lists uit de doeken……. on air. Want, mededeling twee: ZoetZuur Radio gaat weer starten! Vanaf zaterdag 22 december gaan wij tussen 19:00 uur en 21:00 wij ons ZoetZure dingetje live doen. Bij Radio Brasa.  Met, jawel, ondersteuning van een MAN! Dat betekent dat de ondergang van de wereld nog heel eventjes moet wachten wat ons betreft…

Ik ben ik. Punt uit.

Ik ben ik en ik zal altijd ik zijn. Bij mezelf, logisch, en bij anderen. Vooral bij mannen. Ik zal me nooit anders voordoen dan dat ik ben. Dat vind ik allemaal veel te veel moeite en na een tijdje kan je het toch niet meer volhouden en dan ziet ‘ie toch wel hoe je bent. Dus wat schiet je er mee op om jezelf anders voor te doen dan je bent? Ik weet het niet.

Dat ik minder emotioneel zou moeten zijn, omdat hij eventueel wel eens zou kunnen afknappen. Dacht het niet. Of dat ik minder aandacht moet vragen – wacht, waarom moet ik aandacht vragen?! –, omdat hij het misschien irritant vindt. Nee, dacht ik ook niet. Bovendien klets ik de oren van zijn hoofd, als ik me eenmaal helemaal op mijn gemak voel met hem. En als hij dat vervelend vindt, heeft hij pech! En ja, er zijn momenten dat ik ontzettend onzeker ben en ik even niet weet wat ik met mezelf aan moet en als hij dichtbij me staat dan is de kans heel erg groot dat hij dat merkt. Nou en.

Wat ik niet doe is ruzie maken. Of nou ja zelden. Ik ben geen goede ruziemaker. Dat komt omdat ik bang ben dat mensen van me weglopen als ik ruzie met ze maak. Dat betekent dat ik heel veel opkrop en eigenlijk dus zelden mijn ongenoegen uit. Schiet niet op, want ooit barst de bom en dan boeit het weer niet waar hij naartoe loopt. Dat is dat emotionele ding hè. Vreemd genoeg verdwijnt er nooit echt iemand. Dus het is een beetje aanstellerij, plus ik houd gewoon niet van ruzie maken. Vind ik onnodig. Over alles valt te praten, denk ik dan.

Spelletjes speel ook niet. Als hij laat blijken dat hij geïnteresseerd is, ga ik niet hard to get spelen. Of doen alsof het mij niet interesseert, terwijl ik het leuk vind. Dat vind ik stompzinnig. En ja, het zal vast wel werken bij mannen, het blijven jagers. Maar ik zie het gewoon niet zitten. Als ik kortaf doe, ben ik vaak ook gewoon niet geïnteresseerd of ik moet je gewoon nog een beetje leren kennen en dan houd ik de boot af. Ik ben namelijk een beetje socially awkward. Zelden zal er een moment zijn dat ik op iemand afstap om mezelf voor te stellen of om een babbeltje te maken. Dat vind ik raar om te doen. Ik heb er tegenwoordig steeds minder problemen mee, maar als het niet hoeft, dan doe ik het ook niet.

Als ik geïnteresseerd ben houd ik me ook niet bezig met andere mannen. De kans dat als hij wegvalt en ik met de hartpijn en buikpijn zit, is redelijk groot. Maar so be it. Als ik erachter kom dat hij zich wel bezig houdt met meerdere opties, na verloop van tijd, dan hoeft het voor mij niet meer. Een beetje gezonde competitie kan geen kwaad, true, maar ik heb geen zin om na een bepaalde tijd mezelf nog te moeten bewijzen. Take it or leave it. Het hoeft niet. Ik zal het niet leuk vinden en ja, ik zal het overleven.

Als ik hem leuk vind, ben ik jaloers. Niet op zijn vriendinnen, die zijn er gewoon. Die waren er al voordat ik er was. Nee, op nieuwe contacten die hij opdoet, overal en nergens. Ik heb de soort van pech dat ik altijd lijk te vallen op praatgrage mannen. En ja, dat hoeft niets te betekenen en nee, ik zal er ook niet altijd wat van zeggen, maar ik voel alles. Als ik voel dat het niet goed zit dan weet ik dat het ook echt niet goed zit. Kan me niet schelen wat de man in kwestie allemaal zegt, want ik weet namelijk dat hij liegt. Mijn gevoel heeft altijd gelijk, dat is altijd bewezen.

Bovendien ben ik niet voor reden vatbaar als het gevoel te diep zit. Ik zal geen vrienden met hem kunnen blijven, hoef zijn twitterupdates niet te lezen, of zijn FaceBook updates in mijn timeline te zien en zijn naam hoef ik al helemaal niet in mijn WhatsApp lijst te zien. Dat trek ik niet. Ik heb namelijk altijd de belachelijk sterke drang om contact op te nemen met hem. En dat moeten we dus niet hebben. Because he didn’t took it. (En dat is his loss, duh)

Ik uit mijn gevoel niet snel. Op de een of andere manier ben ik daar niet zo goed in. Dat heeft te maken met het feit dat ik me vaker bloot heb gegeven aan een man en dat ontplofte zo hard in mijn gezicht dat ik heel voorzichtig ben geworden. Er gaat dus een hele tijd overheen. Dat schiet misschien niet op, omdat er teveel verwarring kan ontstaan over wat het nou eigenlijk allemaal precies is. Ik wacht vaak te lang af tot hij het doet. Maar als ik echt niet meer kan wachten, dan zal ik het zeggen. In de hoop op een antwoord, want antwoorden zijn tegenwoordig ook zeldzaam. Of dit antwoord nou negatief of positief is, maakt in principe niet heel veel uit. Als het positief is, blijf je in mijn leven, als het negatief is, verdwijn je uit mijn leven. Simpel zat.

Ik ben ik en ik hoef me nergens voor te schamen. Ik ben wie ik ben en ik zal altijd zijn wie ik ben. Daar doet hij het maar mee. En anders niet. Ook goed.

 

Hij wint. Jij verliest. Altijd.

Als hij naar je kijkt met een blik die je nog nooit in zijn ogen hebt gezien, maar dat je niet precies kan bepalen wat die blik betekent. Je hebt die blik namelijk nog nooit gezien. Bovendien praat je ook nooit met hem wat alles wat jullie doen zou kunnen betekenen en wat het zou kunnen zijn. Je kropt alles op en je blijft er mee lopen. Maar dat houd je maar even vol. Ooit barst de bom.

Stel je voor dat die bom barst en jij een waterval aan gevoelens over hem uitstort. Dat je verliefd op hem bent, dat je iets met hem wilt opbouwen en dat je hele hart eigenlijk bij hem ligt. Je houdt hem vast en wilt hem nooit meer loslaten. Maar je weet dat je hem moet loslaten, omdat hij je geen keus laat.

Hij laat je uitrazen, hij laat je vertellen wat je voor hem voelt, je legt je gevoelens bloot, de tranen stromen over je wangen, maar hij blijft koud. Hij reageert niet. Een antwoord blijft uit en je zit imaginaire deuren dichtgaan en imaginaire muren opgetrokken worden. Hoe je ook blijft drammen, blijft zeuren en eigenlijk zijn grootste nachtmerrie wordt, het blijft uit. Stil.

Het blijft hoe dan ook uit. Ook al zeg je niets. Je hebt immers maanden, jaren niets gezegd. Toen werd er ook al niets gezegd. De handelingen die hij deed, deden je denken dat hij meer voor je voelde. Dat je misschien wel wat meer voor hem betekende dan een ordinaire huis-tuin-en keukenslet, maar je hebt je vergist. Hard.

Je hart ligt in zijn handen en hij laat het vallen zonder het op te rapen. De enige die het op kan rapen ben jij. De enige die het kan lijmen ben jij. Want hij zal het niet voor je doen. Hij blijft zwijgen en zal er niets aan doen om je weer goed te laten voelen. Je weet dat het tijd is om hem los te laten, maar hoe graag je het enerzijds ook wilt, je gevoel houdt stevig vast. Je gevoel kan hem niet blokkeren van WhatsApp, je gevoel blijft aan hem denken en je gevoel houdt hem in je hart. Zo blind heeft de liefde je nog nooit gemaakt.

Je bent een down for the ride chick, maar hij ziet het niet. Of wil het niet zien. Misschien is hij wel bang. Misschien is hij er nog niet klaar voor. Wie weet wil hij eerst een goede baan vinden, afstuderen, wedstrijden sporten, weet jij veel. Iedere smoes die je kunt verzinnen om nog langer met hem in contact te blijven, klinkt aannemelijk. Maar je weet dat je dat niet moet doen.

Een Klootzak in een Good Guy-verpakking is wat hij is. Hij is er altijd voor je als je hem nodig hebt. Hij luistert naar je emotionele uitbarstingen, geeft je tips, steunt je en zegt dat je dingen wel kan waar je zelf onzeker over ben. Hele dagen hebben jullie contact. Van ’s ochtends tot ’s avonds en dat elke dag. Hij is er. Elke dag. Dat weet je. Hij is een gewoonte geworden. Een gewoonte waar je meer voor voelt dan je had gepland.

Het heeft lang geduurd voordat je erachter kwam dat je minder was dan de viezigheid onder zijn zool. Of tenminste, je bent er eigenlijk nog niet achter, want je gevoel houdt je voor dat je wél meer bent. Maar dat ben je niet, anders zou hij dat wel laten merken. Het is bijna onmogelijk dat iemand zodanig veel issues heeft, dat hij je zo bruut vernedert en je gewoon laat hangen met je gevoelens en schouderophalend verder gaat me zijn leven. Een Klootzak in een Good Guy verpakking, dat zei ik toch?

Je hart is gebroken, maar je blijft doorgaan en waarom? Omdat je denkt dat het nog niet klaar is en dat er meer zit. Hoeveel teleurstellingen blijft iemand zichzelf geven? Hoe weinig vind je jezelf waard en waarom zou je in godsnaam iemand willen die je vernedert, laat hangen met je gevoelens en je zonder enige problemen negeert.

Hij, de man waar jij andere mannen voor liet schieten. Hij, de man waarvoor jij alles zou doen. Hij, de man waar jij voor zou zorgen met liefde. Hij, de man waar jij naar zou luisteren, de man waar jij voor zou staan, de man die jij door dik en dun zou steunen. Hij, de man die geen ene fuck om jou geeft. En ergens weet je het. Maar toch ga je door. Waarom?

Het spel wat hij speelt, zal hij altijd winnen. Het spel wat hij speelt laat jou achter met een gebroken hart. Altijd. En je weet het. Toch?

 

Misschien. Denk ik. Ik weet het. Niet. Wel.

“Als je die leuke schoenen ziet in de winkel, dan ga je toch ook niet wachten tot ze naar jou toekomen?” riep mijn vriendin ietwat verbaasd, maar geheel terecht, uit naar mij nadat ik haar oren er weer eens af had gezeurd dat ik maar een schijtbak was met stappen zetten richting de liefde. “Doe gewoon wat jij leuk vindt, wat jij wilt!” riep ze praktisch uit. Ik knikte maar een beetje dweperig. Ik wist dat ze gelijk had, maar ik snapte niet zo goed waar ik bang voor was. “Je komt niet op tv met je afgang en je gaat niet dood! Het is maar een man!” tetterde ze door. Ik knikte nog dweperiger. Ik luisterde aandachtig, want ik wist dat ze gelijk had. Ik wist het zelfs heel goed.

Kwetsbaar opstellen is iets waar ik ontzettend slecht in ben. Ik vind het moeilijk toe te geven dat ik meer van iemand zou willen. Het broeit en borrelt van binnen. Alles in mij wil het hem zeggen, maar ik zeg niks. Elke keer als ik denk dat ik al mijn lef en moed bij elkaar heb geschraapt kijk ik hem in zijn ogen aan en klap ik dicht. Dan ga ik lacherig verder met praten over niks. Over het zonnetje, de bloemetjes en de vogeltjes die in de boompjes zitten. Pure onzin puur om het allemaal maar te ontwijken.

En maar zeiken tegen mijn vriendinnen. En mijn vriendinnen maar gek worden van mij. En terecht. Ik zou ook gestoord worden van mijn eigen gezeik. Hoe vaak ik al vriendinnen heb gezegd dat ze hun gevoelens gewoon moesten vertellen. “Gewoon doen!” riep ik dan stoer. Maar dit is voor mij nu zo ontzettend duidelijk geworden dat het allemaal veel makkelijker gezegd is dan gedaan. Ik zeul al een hele tijd met hetzelfde gevoel. Ik heb deze website helemaal ondergekliederd met mijn emotionele uitspattingen. Mijn woedes, mijn zoete woordjes, mijn frustraties en mijn liefdesuitingen. Maar kom ik daar één stap verder mee? Nee. Duidelijk niet.

Toegegeven; ik ben een mietje. Een watje. Een pussy. Zachtgekookt eitje. Grote mond, klein hartje. Dat ben ik in mijn volle glorie. Waar ik bang voor ben? Geen idee. Hoewel ik het eigenlijk wel weet. Ik wil geen afwijzing ontvangen. Wie wilt er nou een afwijzing ontvangen? Niemand dus. Dat weet ik ook. Maar het punt is ook: ik wil hem eigenlijk helemaal niet kwijt. En op het moment dat ik vertel wat ik voel, ben ik bang dat ik hem kwijt raak. En ja, dat zou ik ook moeten, want als hij hetzelfde voor me voelt dan is het bingo, en zo niet: wat doe ik dan nog met hem? Precies, precies. Ik weet het, maar ik weet het niet. Snap je?

Enerzijds vind ik het heerlijk om alleen te zijn. Om mijn eigen plan te trekken, om te doen en laten wat ik wil, wanneer ik wil en met wie ik wil. Niemand die mij wat zegt. Maar tegelijkertijd wil ik een stereotype-relatie. Iemand waar je tegenaan kan kruipen op de bank, waar je samen mee in bed ligt en ruzie maakt over het dekbed, maar ook waar je ontzettend de slappe lach mee kan hebben. Iemand die een klein beetje jaloers wordt als ik uit ga met mijn vriendinnen, maar mij wel vertrouwt. En het ergste; dat zie ik in hem. Alles zie ik in hem.

Gewoon voor zitten. Goede momenten heb je niet. Diep inademen en gewoon doen. Aankijken en gewoon alles eruit lazeren. Ja, goeie. Alles gaat op hol van binnen. En niet zo’n beetje. Nee, gewoon misselijk, hoofdpijn, alles. En dan houd ik gauw op en weet ik niet of ik het überhaupt moet vertellen. Misschien is het wel een lichamelijke alarmbel die roept dat ik het niet moet doen, omdat ik een hele grote fout bega. Mooi hè, dat excuus. Want het is niet fout als ik wil doen wat ik wil doen. Er staat geen gevangenisstraf op het tonen van je gevoel aan iemand. Ik weet het, ik weet het, ik weet het allemaal.

Misschien ben ik wel heel bang voor mijn eigen gevoel. Dat er ineens een stortvloed van gevoel over hem uitgegoten wordt én heel belangrijk over mezelf. Dat ik niet meer weet wat ik met mezelf aan moet. Nu heb ik een soort van (oké, niet echt) controle. Ik kan mezelf onder controle houden, met af en toe een flinke emotionele uitschieter. Maar ik hoef me niet te laten gaan en ik ben kwetsbaar voor niemand behalve voor mezelf. En hiermee heb ik alles wel gezegd. Denk ik.

Wat ik nu ga doen? Even een colaatje drinken.

 

Het dagboek van Thamar

Dear Diary (gaarne met Engels accent lezen)

Sigaretten: 0
Gewicht: daar wil ik niet over praten.

Vandaag voel ik me als Bridget Jones. Het liefst zou ik ook willen vloeken als Bridget Jones. Op z’n Engels, weet je wel. Dat klinkt veel lekkerder dan dat Amerikaans. Bloody hell. Heerlijk.

Ik schrijf je ook alleen maar wanneer ik je nodig heb. Dus hopelijk gaan we dit niet op heel veel frequentere basis doen. Of nou ja, misschien ook wel. De zomer komt er aan, dan kan ik je wel eens vaker nodig hebben. Je weet wel. In de zomer komen er allemaal mooie mensen ineens vanonder hun stenen gekropen.

Alleen, ja, dan zit je met degene die je in de winter ook al leuk vond. En in de herfst. En in de lente. Oh en ook in de zomer. Al een paar jaargetijden lang. Niet één winter. Niet twee. Nee, drie winters. Drie winters lang vind je dezelfde leuk en die houdt je eigenlijk tegen om in een volgende winter leuk met een andere leukerd op de bank te hangen. Zo’n leukerd die jou ook leuk vindt.

Dat zegt trouwens niet deze meneer mij heus niet leuk vind. Dat vindt hij echt wel. Dat weet ik, omdat ik dat voel aan mijn water. Wij vrouwen voelen dat. Dat geloof je vast niet, maar echt waar. Ik weet zeker dat hij echt wel een beetje into mij is. En zo niet, dan toch. Zo gaat dat een beetje. Ik ben net zo’n friendzoned forever alone meme dingetje van 9gag. Het is toch ongelofelijk. Gewoon blijven hangen, want je weet nooit. Ik denk dat ik 16 ben.

Kijk, ik ken hem al een tijdje. Al heel veel tijdjes. En ooit zijn we met wederzijdse afspraken aan iets begonnen. Iets wat we niets noemde, het was namelijk zonder enige verplichtingen. Lusten, lasten, allemaal tegen alle nette dingetjes in. Zo ben ik; lekker tegendraads. Ik dacht dat ik dat wel kon. Kon ik ook. Echt waar. IJs-en ijskoud was ik. Een Yeti zou van ellende niet weten hoe hij zou moeten overleven, zo koud was ik. Totdat de tijd verstreek en ik aandacht kreeg. Toen was ik opeens mijn cool kwijt. Hartstikke superkwijt.

Je snapt dat ik nu tot over mijn oren verliefd ben, totally swept off my feet, belachelijke vlindertuin in mijn buik en oh ja, ik ga dom grijnzen als ik zijn naam zie verschijnen op het beeld van mijn telefoon. Ik heb een tuintje in mijn hart voor hem en hij kampeert ergens in mijn hoofd.

Soms zou ik hem best willen vergeten. Dat ik hem nooit meer zal spreken en dat hij en ik gewoon een gevalletje worden van “oh, wist je nog toen” als ik met mijn vriendinnen sushi aan het eten ben. Een herinnering. Zo eentje waar je nog heel lang de slappe lach over kan hebben, omdat je zo lang hebt volgehouden onder het mom “wie weet wordt het ooit nog wat”. Oké, dat mom heb ik mezelf misschien een beetje aangepraat, maar de mixed signals hebben ook duidelijk hun werk gedaan.

Kijk, na-tuur-lijk heb ik al eens geprobeerd te vragen hoe het zit, waar het heengaat en wat nou precies de bedoeling is. Geprobeerd. Dat betekent dus dat ik nooit écht wat heb gezegd, zo van recht in zijn gezicht, van wat ik nou eigenlijk wil. Dat komt omdat ik natuurlijk een schijtlijster ben en ik ergens wel zoiets heb van.. oké, ik kan hier ook nog wel even mee leven. Even. Zeg maar een dag ofzo.

Ik weet dat ik mijn ballen bij elkaar moet rapen, hem neer moet zetten voor mijn neus en hem eens even flink vertellen hoe en wat. Maar dan is er een glitch in the matrix. Een heel klein dingetje waarom ik dat niet doe. Echt minuscuul en bijna niet noemenswaardig; ik durf dat niet. Watje? Ja, kapot watje. Harstikke super-watje. Er is geen zachter watje dan dit watje. Echt watje.

Waarom ik het niet durf vraag je? Weet ik veel. Dat zeg ik hier boven al; ik ben een watje. Oh en ik wil het misschien toch wel een beetje niet zo heel erg klein beetje boel niet kwijtraken. Ik vind het wel gezellig zo, met hem. En ik ben bang dat als ik dingen ga eisen het opeens niet meer gezellig is.  En ja, ik weet ook wel dat het gezellig blijft als hij mij gewoon wil. Weet ik tóch. Maar toch, he.

Mijn gevoel is alleen voor mij. Ik heb daar namelijk heel hard van geleerd. Keihard. Je gevoel delen met andere mensen is het domste, stomste en lompste wat je ooit kan doen. Ooit keert het zich namelijk tegen je. Maar dat is misschien een beetje overdreven.

Het is eigenlijk heel erg dubbel. Want ergens wil ik hem zelf helemaal niet, maar ik wil hem toch eigenlijk weer wel. Ik ben, denk ik, diep van binnen een harstikke, typische, hopeloze romantische vrouw – en dan vooral hopeloos –  die gewoon van ellende alles maar gewoon laat gaan. Lekker makkelijk.

Ik lijkt wel gek. Correctie; ik ben gek. Oh en een watje. Een superwatje.

Nou, ehhh, bedankt voor het luisteren en tot later!

Elke keer. Opnieuw.

Hij kijkt mij aan. Ik kijk hem aan. Ik voel een siddering door mijn lijf. Hij neemt een stap en komt wat dichterbij me staan. Hij raakt me niet aan. Hij zegt niets. Ik wil zoveel zeggen maar ik klap dicht. Zoals ik altijd doe als ik hem zie. Ik kan over koetjes en kalfjes praten, over de bloemetjes en de bijtjes, maar zeggen dat ik mijn hart aan hem heb gegeven op het moment dat ik hem voor het eerst zag, dat lukt niet.

Dan moet ik me kwetsbaar opstellen. Kwetsbaar opstellen is iets waar ik niet goed in ben. Ik kan het niet. Mijn gevoel blootleggen zal ik niet snel meer doen. Teveel mensen vertrouwt, te vaak gekwetst. Mensen die mij kwetsen en over mijn gevoelens heen walsen alsof het niets is. Niets voor hen. Voor mij is het alles.

Ik open mijn mond en ik wil wat zeggen maar er komt niets uit. Ik kan niets zinnigs zeggen. Het blijft stil. Mijn woorden blijven in mijn keel steken. Ik probeer de woorden weer door te slikken. Ik doe een stap achteruit. Ik snuif zijn geur op en wil weglopen. Wegrennen. Verdwijnen in de dunne lucht. Nooit meer om kijken om nooit meer wat te hoeven voelen. Hij pakt mijn arm vast en trekt me terug. Ik pak hem vast. Ik voel zijn adem in mijn gezicht, ik kijk naar zijn mond, naar zijn ogen en ik sla mijn ogen neer. Wat ik bij hem voel heb ik nog nooit gevoeld.

Ongecontroleerd maak ik mezelf los van hem. Ik wil zijn aanraking niet voelen. Ik wil zijn adem niet voelen en ik wil zijn geur niet ruiken. Ik wil zijn blik niet zien. Ik wil zijn stem niet horen en niet luisteren naar zijn woorden. Ik wil dat hij weggaat. Weg uit mijn leven. Ver weg. Zijn hand glijdt langs mijn hand en ik verstijf. De aanraking van zijn hand is al genoeg om mij mijn adem in te laten houden. Ik voel een kriebel door mijn hele lijf. Ik wil zijn aanraking voelen. Ik wil zijn adem voelen en ik wil zijn geur ruiken. Ik wil zijn blik zien. Ik wil zijn stem horen en luisteren naar zijn woorden. Ik wil het. Ik wil het. Niet.

Als was in zijn handen ben ik. Hem spreek ik als eerste als ik wakker word en als laatste voordat ik ga slapen en iedere minuut daartussen. Hij spoort me aan om dingen te doen waar ik eigenlijk bang voor ben. Hij luistert naar iedere klaagzang die ik ophang aan zijn adres. Hij vraagt me om naar hem toe te komen. We spenderen tijd. Al zijn het maar vijf minuten. Hij vertelt me verhalen en ik luister. Ik luister aandachtig en kan tot mijn verbazing langer dan drie seconden mijn aandacht erbij houden. Zijn woorden klinken door in mijn hersenen. Ik onthoud veel van wat hij zegt. Het heeft waarde. Meer waarde dan alles bij elkaar. Veel te veel waarde.

Hij en ik. We klikken. We matchen. We zijn een schot in de roos. We zijn ieder walgelijk cliché. Maar we zullen het niet uit spreken. Ik niet. Hij niet. Ik denk dat er meer is. Ik denk dat ik verliefd ben. Op hem. Ik ben verliefd op het idee om verliefd te zijn. Op hem. Hij, ach hij, wat hij vindt, denkt en verwacht is voor mij al vanaf het begin niet duidelijk.

Wekenlang kan ik volhouden alsof er niets aan de hand is. Alsof ik niet meer voel voor hem. As if. Ik praat normaal met hem en doe alsof mijn neus bloedt. Vertel verschillende verhalen. Praat over alles en nog wat. Maar ik praat nooit. Op een gegeven moment barst de bom. Dan slaan mijn gevoelens op hol. Dan snap ik nergens meer wat van en dan ben ik klaar met hem. Klaar met alles. Keer op keer op keer op keer. Oorlog in mijn hoofd. Hart tegen hersenen. Gevoel tegen verstand. In paniek roep ik uit dat ik niet meer weet wat ik moet doen. Dat ik beter verdien. Dat als hij me echt zou willen dat hij het wel tegen me zou zeggen. Toch wint gevoel altijd. Altijd.

Dan sta ik daar weer. Tegenover hem. Met een kloppend hart en alle zintuigen op scherp. Alle geuren, bewegingen, aanrakingen en geluiden neem ik in mij op. Opnieuw. Elke keer weer opnieuw. En het zal niet over gaan. Pas als ik de cirkel zelf verbreek. En dat ben ik niet van plan, want mijn gevoel wint. Elke keer. Opnieuw.

 

De Achtervolging

Ik zit op een zwart ijskoud bankje op Centraal Station in Amsterdam. Mijn oren worden verwend met Eminem en Royce da 5’9. De hele cd van Bad meets Evil galmt door de oordopjes die eigenlijk helemaal niet comfortabel zitten en ze laten ook nog eens geluid van ‘buiten’ door, terwijl het op het maximale volume staat. Geef mij maar van die gigantisch grote headphones. Afsluiten. Dat is nou helemaal mijn ding. Het station was niet zo druk. Hier en daar waren mensen verspreid. En zwervers. Niks onoverkomelijks. Het is immers een grote stad. Die heb je gewoon. Maar het is niet mijn stad. Dan voel ik me in mijn dooie uppie toch wel erg alleen zo op zo´n groot station. In Amsterdam. Niet per se onveilig. Maar ongemakkelijk. In mijn eigen stad voelt alles vertrouwder. Fijner. En ja, ook veiliger.

Ondertussen krijg ik een koud achterwerk van het wachten op de trein. Het duurt ondertussen al 20 minuten en de temperatuur vindt het nodig om aan te voelen alsof het al eind december is. Koud dus. De twee sjaals die ik droeg waren niet genoeg. Ik wilde graag nog een derde en een vierde. Een sjaal over mijn hoofd, want mijn oren waren koud. De andere drie keer rond mijn hals gewikkeld. Verstikkend, maar wel een beetje warmer. Ietsjes. Misschien zou het helpen als ik niet mijn dunne nepleren jasje aan had getrokken, maar gewoon een winterjas. Dat doet me denken dat ik die nog steeds moet kopen. Al twee jaar ongeveer. En die driekwartsmouwen van dat shirtje wat ik aanhad hielden mij ook niet echt warm. De kou was duidelijk een gevalletje van eigen schuld dikke bult. Of koude kont in dit geval.

De minuten verstreken op de grote stationsklok. De aantal procenten die aangaven hoeveel energie mijn batterij nog had, renden achteruit. Het leek sneller te gaan dan normaal. Toch moest ik batterij besparen, maar ik wilde mijn muziek niet uitzetten. Stel je voor dat ik met iemand zou moeten praten. Ik sluit me liever af. Dat maakt het wachten wat minder irritant. Ik hou niet van wachten. Vooral niet met een koude kont. En al helemaal niet op een station met de grootste vago´s ever. Vago´s die waarschijnlijk net zo vaag zijn als in Rotterdam, maar in Amsterdam gewoon veel vager lijken. De tijd tikte voorbij. Een minuut leek wel een uur.

Er kwamen twee oudere dametje aangelopen met koffers zo geel als een banaan. Het was vanzelfsprekend dat deze twee vrouwtjes uit zouden stappen op Schiphol. Ze waren druk aan het kwebbelen en aan het kijken naar de amateur-rappers die een bankje verder zaten. Die amateur-rappers trokken mijn aandacht ten eerste omdat ze een ongelofelijk lelijke beat gebruikte en een van hen had dreads. En een kop als een stoeptegel. Een gebarsten stoeptegel. Dat stelde me teleur. Dus ik zette het volume van mijn muziek nog iets hoger. En alsof ik nog niet genoeg geïrriteerd was van het wachten, kwam er een jongeman schuin naast me staan en naar me staren. Continu naar me staren. Naar me glimlachen en naar me staren. Geloof mij, ik snap niet waarom hij glimlachte. Ik schudde onopvallend mijn hoofd en ging weer verder met playbacken.

Eindelijk kwam daar de trein. Mijn kont was ondertussen vastgevroren aan het zwarte ijzeren bankje. De amateur-rappers kon ik verlaten, gelukkig en de dametjes stapten voor mij in. De starende jongeman die glimlachte stapte na mij in. Op een of andere manier vond hij het nodig om mij door heel de trein te achtervolgen. En dan bedoel ik de hele trein. Ik liep een rondje om te checken of ik leip was. Maar nee, ik was echt niet leip, hij volgde mij. Ik zette mijn muziek iets zachter en al mijn zintuigen stonden op scherp. Ik had al een heel plan in mijn hoofd hoe ik hem zou neer knuppelen met niks. Maar ik zou het doen, het doet er niet toe. Ik liet me niet kennen, keek niet achterom. Ik ging gewoon zitten op een stoel waar alles vrij was. Hij ging recht tegenover me zitten. Hij keek naar me. Ik voelde zijn ogen branden. Ik keek stug naar buiten of naar mijn telefoon. Ik sloeg mijn benen over elkaar en staarde naar het voorbijtrekkende nachtelijke land.

Ineens voel ik een hand op mijn been. Ik verstijf. Hij trok zijn hand weg. Ik voel weer een hand op mijn been. Een tikje. Ik kijk op. Hij lacht. Ik doe mijn oordopjes uit en kijk hem aan. Mijn hart schrikt, mijn bloed stroomt net iets sneller dan gewoon en mijn adrenaline staat klaar om te ontploffen. Hij lacht en vraagt:

“Waar heb je die sjaal gekocht?”

Ik zuchtte en draaide ongezien met mijn ogen. Ik antwoordde dat ik de sjaal bij Primark had gekocht. Hij bedankte voor de informatie en stond op om weg te lopen. Ik bekeek hem van top tot teen. Hij droeg skinnyjeans, een diepe vhals, leren jasje en een konijnenpoot aan zijn broekriem die van Gucci was. Achtervolgd worden en het benauwd krijgen voor een mode-vraag, zoiets overkomt alleen mij.

Fuck Cupido

Echt, ik meen het. Cupido moet dood. Zijn pijlen moeten in zijn kleine babylichaampje geschoten worden. Een overdosis aan liefde. Zoveel dat hij er een hartstilstand van krijgt. Alle pijlen die hij in mijn richting heeft geschoten? Allemaal raak. Straight through the heart. Maar bij die man? Finaal mis. Gewoon mis. Wat een schele kip, die Cupido. Echt, misschien heeft-ie een gratis oogtest bij één of ander opticien nodig, want waar hij nu mee bezig is, slaat werkelijk nergens op. Schiet dan maar niet. Blijf dan maar weg. Eén zo’n hart vol met liefde, wie heeft daar nou wat aan. Cupido, you suck. KutCupido.

 

Bel me niet!

“Bel me niet” zei hij op een dwingende toon toen hij mijn telefoon één keer liet overgaan zodat ik zijn nummer had. Het was vrijdagnacht. De temperatuur was prima en de stad zag eruit alsof er rust over was gedaald. Dat kan ook te maken hebben met mijn dansende dronken ogen die alles met een vleugje lol zagen. Ik keek hem aan. “Waarom zou ik je bellen?” antwoordde ik. “Omdat je m’n nummer nu hebt,” zei hij een tikkeltje te bijdehand. Ik schudde mijn hoofd. Deze jongen wist duidelijk niet met wie hij te maken had. Ik heb helemaal geen behoefte om telefoongesprekken te voeren met mannen. Of jongens, in zijn geval. Ik keek naar de grond. Stopte mijn telefoon weg en draaide me om. Ik wilde van hem weglopen. Ik wist al niet eens meer waarom ik ook alweer mijn telefoonnummer had gegeven. “Bel me niet!” riep hij me nog na. Ik draaide me weer om naar hem. Keek hem in zijn ogen en liep naar hem toe. Ik stak mijn vingers uit en tikte hem op de borst terwijl ik zei dat ik wel wist waarom ik hem niet mocht bellen. Hij keek me vragend aan. Ik vroeg me echt af of hij echt werkelijk dacht dat ik net zo dom was als het achtereind van een varken. “Je hebt een vriendinnetje thuis. Ik. Bel. Jou. Niet. Je hebt toch zo’n grote mond? Bel mij maar als je je praatjes waar durft te maken,” en ik liep weg.

Een avondje stappen met vriendinnen. Het was harstikke gezellig. De drank vloog ons letterlijk rond de oren. Ik kreeg namelijk een glas bier over mijn prachtige jurk heen. Gelukkig ben ik goedgezind en kan ik me daar niet heel erg druk om maken. Ik kan heel boos kijken, doen alsof ik het verschrikkelijk vind en daarna een gratis glas, of twee, Southern comfort met Ginger Ale in ontvangst nemen als excuus. We genoten met z’n allen. Het was veel te warm. Het liefst wilde ik mijn jurk lozen, maar ergens zei mijn common sense dat ik dat maar beter niet kon doen. Niet omdat het stom zou staan, maar ik zou vast aandacht krijgen van de verkeerde mannen. De man waar ik juist aandacht van wilde stond achter de draaitafels. Man, man, man, wat een man. Precies met dat deuntje van de Coca Cola Light-reclame. Weet je nog? Dus die jurk liet ik maar aan. Nu ik er over nadenk, had ik de jurk misschien beter uit kunnen trekken.

De mannen daar waren trouwens redelijk ok. Niet dat ze aantrekkelijk waren, maar ze waren niet vervelend. Het was leuk. Het was gezellig en we dansten met z’n allen door de tent. Met enkele elleboogstoten om ruimte te creëren, maar niemand die dat door had joh. Iedereen had wel een paar druppeltjes drank in het glas, het was één en al liefde. Tenminste, ik deed in ieder geval net alsof. Mijn vriendin was ondertussen flink aan de dans met één of andere gozer die wel een oogje, of twee, op haar had. Prima. Ik ging gewoon verder keutelen met andere vriendinnen, mijn glas Southern Comfort met Ginger Ale, of 7-Up of Coca Cola, zolang er maar een prik-iets in zat, vond ik het allemaal best. Geregeld.

We, mijn vriendinnen en ik, kregen continu aandacht van één jongen. Een interessante jongen. Ik vergat de DJ even. Even voor de hele avond. Ik was namelijk een klein beetje troebel. Doe ik anders nooit. Ik vermaakte mezelf met hem. Beetje dansen, beetje lomp doen en vooral veel lachen. Zijn armen waren versierd met tatoeages, mooie bril, driedagenbaardje en meer kan ik me niet herinneren. Volgens mij was hij ook nog eens klein. Als in, net zo lang als ik. Voor een man ben je dan redelijk klein.

De avond liep op z’n eind. Mijn vriendinnen en ik liepen naar buiten en werden ongelofelijk blij van de koele buitenlucht die ons tegemoet kwam. We namen even plaats op het terrasje om even uit te blazen van het vele dansen en lachen. We kletsen wat en kregen al gauw genoeg gezelschap. Van de danser en de kleine jongen met driedagenbaardje. Het werd gezellig. Iets te gezellig. Ik vond hem wel leuk en was belachelijk in het openbaar aan het flirten met hem. Moet kunnen. Alleen toen liep de DJ voorbij. Dat zag ik. Hij zwaaide en lachte naar me. Facepalm Thamar. Echt.

Het was tijd om afscheid te nemen. Toch bleef hij op één of andere manier aandacht van me vragen. Op een manier waar ik geïrriteerd op reageerde. “Wat wil je van me?” vroeg ik. Dom, Thamar, dom. “Ik wil alleen maar seks met je.” Mijn ogen knipperden. Gewoon BAM. Dat overkomt me niet gek vaak dat iemand gewoon maar zegt wat-ie van je wilt. Ik kan dat waarderen. Echt. Al dat omheen-gelul is totaal niet mijn ding. Uiteindelijk draait het negen van de tien keer allemaal op hetzelfde uit. En dan investeer je allemaal kostbare tijd in niks, die had je dus ook kunnen investeren in een potje goede vieze.. Nou ja, je weet wel. Seks dus.

Ik lachte en liep naar mijn vriendinnen. Ze hadden ondertussen een taxi aangehouden. Ik liep naar mijn andere vriendin toe om afscheid te nemen. De sportieveling, altijd en eeuwig op het fietsje. Het was harstikke tijd om te gaan. Ik keek hem nog één keer aan. Wist weer waarom ik mijn nummer had gegeven en stapte in de taxi. Ik wist dat ik hem niet mocht bellen, maar ik was zijn arrogantie, grote bek en bijdehante gedrag meer dan zat. “Luister dan, bel mij ook maar niet. Ik bel jou misschien wel, als ik een potje wil neuken.” Ik sloeg de deur van de taxi dicht, zag zijn verbouwereerde gezicht en besloot – met een zelfvoldaan gevoel – vervolgens nooit te bellen.