Berichten

Als de bom valt

Het was me weer een spannend weekje. Of twee.
In Brussel vielen bommen en hier waren wij bang dat wij de volgende zouden zijn. Een weekje. Of twee.

Nouja, wij; ik niet. Ik wist het namelijk niet. Ik kijk zelden televisie. Ik praat niet met vreemden op straat (als ik er onderuit kan komen. Door bijvoorbeeld een koptelefoon te dragen, of ik nu muziek luister of niet. Ik weet het. Zo ben ik. Half autist en heel Westers individualist, maar tegenwoordig veel hipper: introverte extravert. Of andersom.). Ook kijk ik tegenwoordig niet meer constant op mijn telefoon als ik naar werk reis. Ik puzzel heden ten dage. Omdat ik mijn bochel niet wil laten groeien door voorovergebogen naar een minischerm te staren, niet constant met dat ding en die kankerstraling bezig wil zijn en omdat ik dan gelijk een beetje brain training doe.

Dit alles leidde ertoe dat ik pas ergens in de middag, toen ik op het werk klaar was met een aantal ‘moetjes’ en ging socializen met collega’s, hoorde dat er aanslagen in Brussel waren gepleegd. Normaliter trek ik me daar weinig van aan. Als het je tijd is, ga je toch, denk ik dan maar. En, net als wanneer het op een vliegreis verkeerd zou gaan: waarschijnlijk heb je nooit iets geweten noch gevoeld. Ik zou bijna zeggen: ik teken ervoor. Maar nu toch nog niet.

Lees meer

Foodbloggen ja/nee

‘Jij moet echt iets met schrijven doen!’ Iets wat ik heel vaak heb gehoord. Vooral toen ik drie weken in Afrika zat, internet net had ontdekt en iedereen per ellenlange mails op de hoogte hield van alle (bizarre) dingen die ik meemaakte. Voor mij was het een soort dagboek, maar na één mail zouden ze het vast en zeker zat zijn, dacht ik toen. Niks was minder waar. Ik kreeg steeds meer verzoekjes om updates. Ik zou een talent hebben. Nu dacht ik zelf dat het vooral ging om het talent voor belanden in bizarre situaties, het aan de stok krijgen met rare mensen en gewoon verzeilen in Murphy’s Law momenten. Maar schrijven bleek ik ook te kunnen en mensen wilden het nog lezen ook. Fantastisch! Via op verzoek verjaardagsboodschappen, liefdesbrieven, gedichten, verslagen, artikelen en smsjes schrijven begon ik te bloggen. Iets wat nog steeds fantastisch en verslavend is. Een ieder die ooit maar een letter van mij heeft gelezen en helemaal diegenen die de moeite nemen (on- en offline) commentaar te geven: bedankt!!

Nu is er iets waar ik, naast slapen, overdrijven en dus schrijven, echt heel erg goed in ben. Dat is eten. Ik droom over eten, ik denk constant aan eten, ik plan van alles om eten heen, ik maak tig lijstjes met boodschappen just for fun, ik fotografeer mijn uitspattingen, mijn keukenkastjes puilen uit van de voorraden van werkelijk alles dat er op de wereld te vinden is, ik heb stapels kookboeken, alle edities van AllerHande vanaf 2002, tig knipsels, printjes, bookmarks, receptenkaarten, magazines…en ik denk dat ik ook best wel kan koken.

‘Jij moet echt iets met foodbloggen doen!’ is wat ik nu vaak hoor. En dan denk ik: JA! NEE! WEET NIET….MEH.

JA, want:
– ik vind het gewoon heel leuk om te koken en het erover te hebben en zie het bij anderen ook graag
– ik maak nu ook al foto’s die ik, of je het wil of niet, het internet op slinger
– ik hoor dus vaak dat men dat wil en leuk vindt (en als jullie tegen mij liegen: dat is dan dus niet mijn schuld, hè!)
– eten hoort nu eenmaal heel erg bij mij, dus waarom niet ook op de blog?
– ik eet heel veel. Ik kom op heel veel plekken. Misschien kan ik nog iemands leven redden met een tip waar niet te eten/kopen (je moet je doelen soms hoog stellen)
– daarom heb ik ook de ambitie om de hashtag #keukenkastcookings trending en superpopijopi, uitnodiging-bij-de-wereld-draait-door-en-Oprah-als-ze-nog-shows-deed-waardig te maken. Ik kook als ik zelf iets moet verzinnen namelijk vooral met de dingen die ik al in huis heb. Omdat ik soms (bijna nooit, want ik houd ervan) geen zin heb om naar de supermarkt te gaan. En omdat ik toch al ontzettend veel in huis heb. Dat levert soms……eh, aparte gerechten op. Inspiratie, bedoel ik!

NEE, want:
– ik heb geen fototoestel. Nooit gehad. Gaat ook niet veranderen. Want ik ben niet zo geïnteresseerd in (echte) fotografie en ik kan toch geen toestel betalen. Het is een beetje een ‘de kip en het ei’ verhaal: ik weet niet welke reden er eerder was, maar ze zijn er nou eenmaal allebei.
– wie wil nou weten wat ik waar, wanneer at? Er zijn zoveel belangrijkere dingen om te delen
– de foto’s die ik maak zien er niet uit. Omdat ik ze dus gewoon zo met mijn telefoon schiet. En omdat ik vaak niet zulke fotogenieke dingen eet
– er zijn al zoveel bloggers die het over eten hebben. Wat heb ik nou toe te voegen?
– ik heb geen zin om een heel blog over voedsel te starten en bij te houden en past het wel binnen ZoetZuur?
– ik heb geen geduld om van alles, met regelmaat, vast te leggen. Daarom werkte een echt dagboek bij mij ook nooit.

De conclusie:
Aan ja, nee, weet niet en meh voeg ik nu toe: fuck it. Ik ga het gewoon doen. Natuurlijk niet over de honderdduizendste manier om iets als spaghetti carbonara te maken. Wanneer ik er zin in heb. Geheel op eigen manier, met telefoonfoto’s met stoom en rommel erop. Smoezelig en plakkerig, maar lekker. Want dat is, net als ZoetZuur, gewoon zoals het leven is.

Reünie

Het vindt altijd plaats in een vaag zaaltje. Die kon je oom via via regelen. Zodra je –na een laatste haar, gebit, kleding en make up check; je moet een goede indruk maken van je moeder- de deur opentrekt, komt het je tegemoet: de geur van santen en kruiden. Het geluid van rondrennende kinderen en kakelende dames.

Na het verplichte rondje van 200 stuks handen schudden en jezelf voorstellen zoek je een fijn plekje uit aan een vrij tafeltje. Je dumpt je tas, neemt een diepe zucht en dan kan het beginnen. De reden waarvoor je eigenlijk kwam. Waarover je al een tijdje kwijlend dagdroomt en waarvoor je zojuist gedumpte tas van het formaat XL is en volgestopt met lege Tupperware bakjes. Makanan! Vrij vertaald: vreten. Dat kunnen jullie als geen ander.

Je sluit aan in de rij. Babbelt een beetje met wildvreemde mensen die je oom en tante blijken te zijn. Pikt alvast wat kroepoek. En dan gebeurt het. Cliché numero uno. Daar, tussen de babi kecap en sayur lodeh, staat hij. De Man Van Je Dromen. De enige Indo op aarde die twee meter lang, mannelijk, mooi, grappig, intelligent, lief en goed gebouwd is. En heel erg je bloedverwant. Tuurlijk! Grote kans, op een familiereünie. Je teleurstelling echter verdwijnt als sneeuw voor de zon, want je ziet dat de pasteitjes en lemper ook goed vertegenwoordigd zijn. Bovendien kan je altijd nog zijn ping aan je vrijgezelle vriendin doorgeven. Hou je hem toch een beetje dichtbij.

Na twee borden is het tijd om dan toch echt te socializen. Je schuift een tafeltje op. Daar word je meteen geconfronteerd met cliché nummer twee: de gesluierde importbruid. Je kan niet met haar converseren want jullie spreken elkaars taal niet en zij doet niet veel anders dan zitten en naar haar man staren. Gelukkig zijn er nog ongeveer 25 andere tafels waarbij je je geluk kunt beproeven.

De afdelingen Amsterdam en Rotterdam, dat klikt meteen. Leuke mensen, zelfde interesses, ze komen op de goede plekken. Gezellig! Je wisselt nummers uit en maakt allerlei losse afspraken die nooit waargemaakt worden want druk druk druk, weetjewel. Je voegt elkaar toe op social media en zegt nooit meer wat tegen elkaar. Zo gaat dat. Is niet erg.

Bij de tafels met je soortgenoten van beneden de rivieren gaat het een stuk minder gesmeerd en heb je cliché, of vooroordeel, drie te pakken. Alles gaat zo langzaam. Hun praten, hun denken: het geeft je de kriebels. Grappig hoor, dat halve Duits en die zachte g, maar je kan er zo weinig mee. Je begrijpt en verstaat elkaar gewoon niet. Je stadse humor slaat niet aan. Ze zijn de hele tijd bang en beledigd. Na de twintigste meeeh en glazige blik (ze lijken net koeien) in een minuut trek je het niet meer. Wat doe je dan? Dan ga je gewoon weer ff langs het buffet. Koe. Ja. Rendang. Lekker. Eten verbindt en maakt alles goed. Je strakke broek heeft gelukkig ook een rits, die je even een stukje openzet. Zo. Dat lucht op en geeft weer mogelijkheden.

Je keert terug naar je eigen plekkie. De avond is al aardig gevorderd en je hebt voor jezelf goed gepraat dat je Tupperware niet lang meer leeg mag blijven en je daarna je hielen licht. Maar je moeder vindt het allemaal zo gezellig. Dat kan je haar eigenlijk niet aandoen. En dan komt het allergrootste cliché ineens boven water: de ooms met gitaren. Ik durf te wedden dat iedere Indo zo’n oom heeft. Het kan gewoon niet anders. Ooms worden met gitaren in hun hand geboren. Daar durf ik dus echt wel drie bapao om te wedden. Anyway, waar ze al die tijd verstopt waren weet je niet, maar ineens heeft zich een band gevormd. Er is zelfs een drumstel verrezen. En ja hoor, je moeder staat achter een microfoon. Ze doet Tante Lien na.

Je avond gaat dus nog langer duren. Je troost jezelf met een pisang goreng. Zonder onzinnige pindasaus of poedersuiker, thankyouverymuch! De kleine kinderen rennen niet meer rond maar krijzen wel. Je prijst jezelf gelukkig dat je ze niet hebt. De oudjes worden dronken en sentimenteel en heeeel vervelend (dit zou best wel eens nummer vijf kunnen zijn). Kassian en aduh is alles wat je verstaat maar vervelend is het toch. Je wist wel dat je na het fiasco met Limburg gewoon naar huis moest gaan. Elke keer is het weer hetzelfde liedje.

Je besluit dat het genoeg is geweest. Ruimt een beetje op, geeft verplicht weer handjes, (gelukkig ondertussen geslonken naar 100), en kan dan eindelijk gaan. Je hoofd is moe, je buik zit vol en je bent kapot. Leuk hoor, familie, maar met mate. En nu even niet. Selamat! Tot over vijf jaar!