VOLGENS HEM: Een goed begin..

Maandagmorgen, de trein naar Groningen.
Het is saai en grijs buiten. De coupéruit is vies en nat van het condens. Een logge, vettige motregen valt traag uit een grauwe hemel. Terwijl meters en meters spoor onder ons wegglijden, kijk ik naar buiten. Niks dan saaie weilanden. Grauwe, saaie, eindeloze weilanden, met domme, grazende koeien. Van die weilanden met van die slootjes. Op de stoel naast me ligt een stapel oude, vergeelde kranten. Het ruikt muf in de trein. Maandagmorgen. Báh! Ik staar naar buiten. En weer naar binnen. Plotseling zie ik haar zitten, in een hoekje verscholen. Lang, prachtig bruin haar tot op d’r schouders. Jeans. Gympies. Zo’n lekkere slobbertrui. Ze houdt een boekje vast en kauwt op de achterkant van een BIC-pen. Ze denkt na. Ik ga verzitten, want ik wil haar beter kunnen zien. Mijn ogen glijden zonder gêne langs haar hele lichaam. Aan het haakje hangt haar zwarte, leren jas. Naast haar, in het gangpad, staat een tas. Mijn mond wordt droog, en ik slik. Jezus, wat is ze mooi! Wat is ze allejezus mooi! En dat gezichtje… Zo vriendelijk kijkt ze voor zich uit. Af en toe kijkt ze even naar buiten, om na te denken. Ze houdt zo’n Zweeds puzzelboekje vast. Drie sterren.

Die zijn inderdaad lastig. Af en toe zucht ze even moedeloos, maar ze zet tóch door. En ik? Ik staar. Ik staar naar het mooiste meisje ter wereld. Gewoon, hier in die zeikerige trein, naar Groningen. Waar we nu zijn? Geen idee. Ik stáár alleen maar. Naar haar. We passeren een stationnetje, maar ik let totaal niet op wélk stationnetje het is. Zeker Veenwouden, of zoiets. Geen idee. Kan ook best Zwaagwesteinde zijn geweest…

Ze heeft geen make-up op. Leuke, kleine oorbelletjes, en een klein horloge om haar rechterpols. Een kettinkje siert haar toch al fraaie hals. De mouwen van haar slobbertrui heeft ze opgetrokken, net als ik altijd doe. Ik háát lange mouwen. Zij ook, denk ik. Ik schat haar overigens zevenentwintig, misschien wat ouder. Net als ik.

Ze is gewoon perfect. “Doe wat!”, galmt het door mijn hoofd. Maar ik durf niet. Mijn knieën willen niet. Ik heb een vreemde smaak, en begin te zweten. Jezus, is dit normaal? Ik voel me vreemd en blij tegelijk. En ik staar. Minutenlang staar ik. Dit is het meisje die met mij verkering krijgt. Ze stapt zo uit op Groningen Centraal, en ik volg haar dan. Ik spreek haar aan, en we raken aan de praat. Ze lacht om mijn stuntelige, domme grappen, maar vindt me wel leuk. Ik loop met haar mee, zonder te weten waarnaartoe. Gewoon omdat ze zo mooi is, en ik toch wát wil met haar… We spreken een keertje af, ergens in Groningen ofzo. ‘Bel me’, zegt ze, en geeft me haar nummer. Ik bel haar op, we spreken af, we ontmoeten elkaar. Ze had mij ook gezien in de trein, en zich afgevraagd waarom ik zo dom staarde, en verder niks deed. Ik lach schaapachtig. ‘Tja…’

We krijgen verkering, en ik ben de gelukkigste jongen op aarde. We trouwen, en krijgen een stuk of drie kinderen. Ik haal ontbijt op bed voor haar. Ik zoen haar teder in haar nek, overlaad haar met cadeautjes op haar verjaardag en moederdag. Ik werk me suf voor haar, en breng bloemetjes mee naar huis. We gaan op vakantie, naar het strand. Ik smeer haar rug in tegen de brandende zon. Ik kan goed overweg met haar ouders. Ik haal de krant voor haar, knutsel kasten in elkaar, kook voor haar, neem haar mee naar haar lievelingsrestaurants, masseer haar voetjes aan het eind van de dag, neem haar mee naar pretparken en zal er altijd voor haar zijn.

Buiten valt de motregen nog steeds loom naar beneden. Buiten staren de dom grazende koeien nog steeds af en toe door de vuile coupéruit. Meters spoor glijden weg onder ons. Nog steeds ruikt het muf. De stapel oude, vergeelde kranten ligt nog steeds dom op het bankje naast me in het niets te staren. Ik kijk naar haar, en hoor omroepen dat we station Groningen Centraal over enkele ogenblikken binnenrijden. Ze staat op en dus ik ook. Haastig trek ik mijn jas aan, mijn ogen op haar gericht. Ze bergt haar puzzelboekje op en stopt de pen in haar tasje. Ze gooit haar prachtige haar achterover als ze haar zwarte, leren jas aandoet. Langzaam schuifelt ze naar de uitgang. Onze ogen kruisen elkaar en ze glimlacht. Een warme gloed trekt door mijn hele lichaam en ietwat dommig glimlach ik terug. Ze loopt naar het balkon en houdt één vinger al op het gele knopje om de deur open te doen. Mijn hart bonst in mijn keel. “Ik loop haar zometeen gewoon achterna, en spreek haar aan. Mijn toekomst begint hier, in deze trein”, realiseer ik me. Ik sta pal achter haar op het balkon bij de deur, als we Groningen Centraal binnenrollen. ‘Denkt u bij het verlaten van deze trein aan uw bagage’, wordt er nog omgeroepen. We staan stil, en ze drukt de deur open. Ik wacht even, en volg dan. Ze loopt het perron op. Ik volg. Wanneer spreek ik haar aan? Ineens loopt ze recht in de armen van een jongen. Ik schat hem mijn leeftijd. Ze lacht blij en zoent hem op zijn mond. Mijn wereld stort in. Dag toekomst. Dag leven. Ik zucht, draai me om, grijp naar  mijn eeuwige pakje sigaretten, en loop dan maar weer richting zo’n rookpaal. Zucht. Jammer dan. Volgende keer beter.

Thies, 28, aan het daten en verliefd aan het worden. Houdt daarnaast van schrijven en van mensen. Hij bekijkt, observeert en ‘leest’ ze, waarbij hij ook graag zijn fantasie gebruikt.

11 antwoorden
  1. Tommy
    Tommy zegt:

    Ik heb stiekem met je gedanst, hoop dat het leuk vond, ik heb stiekem met je gedanst……..

    Ik vond het stukje in ieder geval wél leuk 😉

    Beantwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *